De grote mythe van de Founding Fathers

De Founding Fathers worden vaak gezien als verheven staatsmannen die zouden walgen van het huidige Washington. Maar de stichters van de Verenigde Staten wantrouwden elkaars ideologische posities, vernietigden elkaars politieke ambities en publiceerden artikelen over elkaars affaires en buitenechtelijke kinderen. In dat proces realiseerden ze hun grootste angst: een partijenstelsel. Een duik in de kraamkamer van de Amerikaanse Republiek.

Washington. Jefferson. Hamilton. Madison. Adams. Franklin. Jay. De stichters van de Verenigde Staten worden door hedendaagse Amerikanen vaak gezien als een groep halfgoden, door de geschiedenis bij elkaar gebracht om een haast perfect politiek systeem te ontwerpen. De huidige polarisatie zou vooral te danken zijn aan hoe opeenvolgende generaties vervolgens omgingen met hun uitvindingen. Toch is de breed gedeelde aanname dat deze staatsmannen politieke partijvorming uit de weg gingen de grootste mythe uit de eerste jaren van de Republiek. Het bestaan van facties in Amerika begon namelijk bij deze zeven mannen, en hun onderlinge rivaliteit in de eerste jaren van de Verenigde Staten zijn bepalend geweest voor het politieke spel in alle volgende generaties.

Een partijdig trauma

Het woord ‘partij’ komt niet voor in de Amerikaanse grondwet. Madison, de voornaamste architect van het document, zag de noodzaak ervan niet in. In de oorspronkelijke constitutie werd de kandidaat met de meeste stemmen simpelweg president en de nummer #2 zijn vice-president. Daarnaast was het stemrecht beperkt tot een zeer select deel van de bevolking die kiesmannen (the electors uit het electoral college) verkozen. Die kiesmannen brachten vervolgens stemmen uit voor een presidentskandidaat. De organisatiekracht van partijen was dus niet nodig om grote groepen mensen naar de stembus te brengen.

Naast het praktische aspect zagen de Founding Fathers ook een zeer acuut gevaar in partijvorming. Veel van hun voorvaderen waren gevlucht voor de Engelse burgeroorlogen van de jaren ’40 (1640’s that is), waarin de monarchistische Tories en de parlementaire Whigs elkaar naar het leven stonden. Daarnaast hadden de Founding Fathers ook een directere ervaring met de gevolgen van facties. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog vonden er bloedige gevechten plaats tussen loyalisten en patriotten, Amerikanen tegen Amerikanen. Een onderbelicht deel van het conflict is deze burgeroorlog die Amerikanen met elkaar voerden op hun eigen grondgebied. Door partijen niet te benoemen wilden de ontwerpers van de nieuwe grondwet geen trauma’s oprakelen die de stabiliteit van de jonge natie zouden kunnen bedreigen.

Van Revolutie naar Constitutie

In de praktijk werkte het allemaal echter wat anders. Ron Chernow, biograaf van Hamilton, beschrijft wat vervolgens gebeurde:

Like other Founding Fathers, Hamilton inhabited two diametrically opposed worlds. There was the Olympian sphere of constitutional debate and dignified discourse — the way many prefer to remember this stately figures — and the gutter world of personal sniping, furtive machinations, and tabloid-style press attacks. (…) The heroes of 1776 and 1787 were bound to seem smaller and more hypocritical as they jockeyed for personal power and advantage in the new government.

De Founding Fathers waren niet alleen staatsmannen; ze waren ook politici. In een land waar constitutionele democratie slechts een paar jaar bestond en in een tijdperk waarin zo’n vorm van regeren nog zeer zeldzaam was, verviel ideologische oppositie al snel tot verdenking van verraad. Waar we verkiezingen in ontwikkelde democratische landen tegenwoordig zien als een strijd van visies tussen fundamenteel gelijksoortige machtspartijen, gingen de eerste verkiezingen van de Verenigde Staten over het voortbestaan van de natie, de belofte van de revolutie en de angst voor een monarchie.

De Founding Fathers vormden geen gelijkgezind blok in deze strijd. Nadat Engeland was verslagen ontstond de vraag hoe de nieuwe Amerikaanse staat eruit zou moeten zien. De confederatie tussen staten die direct na het conflict werd gesticht bleek ontoereikend om efficiënt monetair en internationaal beleid te voeren. In 1788 werd een nieuwe grondwet geratificeerd waarin een gecentraliseerde overheid invloed kreeg over het beleid van de individuele staten. Hiermee waren de Verenigde Staten geboren. Washington was de onbetwiste eerste president. In zijn eerste termijn werd de jonge natie echter constant geconfronteerd met dezelfde vraag: hoe machtig was de nieuwe federale overheid in verhouding tot de dertien staten?

Washington en vooral Hamilton verdedigden de noodzaak van een sterke overheid. Door Washingtons roem en status bleven felle discussies over dit principe aanvankelijk uit. De ijver en productiviteit van de eerste minister van Financiën, Alexander Hamilton, brachten daar verandering in. Hij richtte de eerste centrale bank op, kocht met zijn nieuwe ministerie alle oorlogsschuld van de staten op zodat een gecentraliseerde nationale schuld ingezet kon worden op de wereldmarkt, en voerde belastingen in op importen en accijns. Al deze maatregelen waren nodig om de Verenigde Staten te kunnen laten concurreren op de internationale markt en om de economie te stabiliseren na de verwoestende oorlogsjaren. Volgens een groeiende groep politici overschreden ze echter het veronderstelde mandaat dat de staten aan de overheid verleend hadden.

De eerste republikeinen

Thomas Jefferson, Washingtons minister van Buitenlandse Zaken, was bang dat Hamiltons visie van een modern Amerika van banken en markten ten koste zou gaan van het platteland en de agrarische economieën van het Zuiden. Jefferson was, als plantagehouder uit het zuidelijke Virginia, achterdochtig dat Hamilton met zijn monetair beleid de regionale macht van het Noorden ten opzichte van het Zuiden probeerde te vergroten. Volgens hem moesten de Verenigde Staten een agrarisch rijk worden, waar iedere burger voor zichzelf voorzag op zijn eigen stuk land. Door deze decentralisatie van productiemethoden en grondstoffen was het risico dat de overheid zou vervallen tot een tiranniek monster zo klein mogelijk, wat overeenkwam met de idealen waarvoor de revolutie gevochten was. Deze tegenstelling, van kapitalistische elites en agrarische patriotten, is sindsdien in ontelbare vormen verschenen in de Amerikaanse politieke dialoog.

Jeffersons visie stond haaks op die van de Federalisten (hoe de volgers van Washington en Hamilton steeds vaker getypeerd werden). Alhoewel Washington zichzelf als eerste president weigerde te zien als de leider van een partij, begon de oppositie zich onder Jefferson steeds opzichtiger te organiseren. Hij zette een krant op om de regering te bekritiseren (waar hij zelf nog deel van uitmaakte als minister) en spoorde congresmannen aan om tegen Hamiltons plannen te stemmen. Daarnaast maakte hij een zeer machtige bondgenoot in James Madison. De congresman uit Virginia, die de grondwet had ontworpen en deze in tientallen essays samen met Hamilton vurig had verdedigd, was gedesillusioneerd geraakt door de reikwijdte van de federale overheid en misgunde haar nu de macht die hij eerder voor haar had ontworpen. De volgers van Jefferson en Madison noemden zichzelf republikeinen (niet te verwarren met de huidige Republikeinse Partij).

Washington was huiverig om in te grijpen in de langzaam ontstane tweesplijting, omdat hij het bestaan van twee facties, met al haar implicaties, niet wilde erkennen. Toen hij in zijn tweede termijn als president eindelijk erkende dat de situatie onwerkbaar was geworden, accepteerde hij het ontslag van Jefferson. Deze legde zich vervolgens samen met Madison geheel toe op het organiseren van hun nieuwe partij om daarmee het presidentschap te veroveren van de Federalisten. Het eerste tweepartijensysteem van de Amerikaanse geschiedenis was geboren.

Erfenis

In opeenvolgende jaren ontstond een extreem giftig debat tussen de Federalisten en de republikeinen. Washington verloor zijn zo gekoesterde nationale eenheid en zelfs zijn statuur als oorlogsheld en ‘vader van de natie’ was niet veilig voor de columns en artikelen van de nieuwe militante pers. Hamilton werd weggezet als een ‘Amerikaanse Napoleon’ en elitist. In Washingtons tweede termijn werd het voor Hamilton in toenemende mate onmogelijk om zijn functie als minister effectief uit te voeren. In het politieke duel waren de Federalisten niet opgewassen tegen de populistische aantrekkingskracht van de republikeinse visie. Nadat Washington was overleden en Jefferson in 1800 werd verkozen tot president, domineerde republikeinen uit Virginia voor 24 jaar het Witte Huis. De Federalisten wisten zich nooit meer te reorganiseren als een machtspartij van belang.

We leven nog steeds met de erfenissen van deze eerste formatieve jaren van de Amerikaanse Republiek. Op een paar uitzonderingen na is het tweepartijenstelsel altijd de dominante vorm geweest waarin Amerikaanse politiek georganiseerd is, zij het in de vorm van Federalisten vs. republikeinen, Democraten vs. Whigs of Democraten vs. Republikeinen. De wijze waarop Jefferson het land opdeelde in een commerciële elite en een rurale middenklasse klinkt na in talloze opeenvolgende politieke gevechten. We zien het terug in hoe Andrew Jackson in 1828 het platteland verenigde om Washington terug te veroveren van de noordoostelijke elites. In hoe Franklin Roosevelt de overheid nieuw leven in blies om de middenklasse uit de depressie te trekken. En in hoe Donald Trump het binnenland van Amerika mobiliseerde om het moeras van Washington leeg te laten leeglopen.

Een tweede erfenis is te vinden in de wijze waarop de oppositionele pers emotie, vulgariteit en bedrog mobiliseerde voor politieke doeleinden. Zelfs zenders als Fox News zouden terugschrikken van de artikelen die de National Gazette of de Gazette of the United States publiceerden. De Founding Fathers stuurde kranten actief aan om elkaars wetsvoorstellen te bekritiseren en schandalen over elkaar te verspreiden. Ook het privé-leven was niet veilig: Hamiltons ontrouw werd door Jeffersons krant gerapporteerd en Hamilton hintte in meerdere artikelen naar Jeffersons buitenechtelijke kinderen met een van z’n huisslaven. Opposition research heeft haar wortels in de acties van Jefferson en Hamilton, niet in die van Nixon.

Dit alles maakt duidelijk dat een revisie van de Founding Fathers in ons politiek bewustzijn noodzakelijk is. Het waren briljante staatsmannen die een systeem ontwierpen waarmee de Verenigde Staten het machtigste land in de geschiedenis van de mensheid kon worden, zonder haar democratische instituten te verliezen. Maar het is een mythe dat de Founding Fathers een eensgezinde en verheven groep waren. Ze verschilden onderling fundamenteel van mening over hoe de nieuwe natie eruit moest zien. En met dat meningsverschil ontketenden ze een partijdigheid die het door hun gestichte land altijd zou blijven typeren.

Verder lezen?

Ron Chernow – Alexander Hamilton

Joseph J. Ellis – Founding Brothers: The Revolutionary Generation

Alan Taylor – American Revolutions, A Continental History

Alexander Hamilton, James Madison & John Jay – The Federalist Papers

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s